Democratische organisatie van markten

 

In vorige artikelen is globalerwijs ingegaan op de economie vanuit volkheerschappelijk aanzicht. In dit artikel wil ik er verder op ingaan en voorstellen doen om de economie te democratiseren.

 

Ik wil beginnen bij de eerste levensbehoeften: voedsel, kleding en onderdak. Deze vormen de basishulpbronnen voor mensen om van te kunnen leven, en zijn dus belangrijk om de zelfbeschikking van mensen gestalte te geven. Om te beginnen met het voedsel; als mensen zeggenschap willen over hun voedselvoorziening is het dus nodig dat ze landbouwland tot hun beschikking hebben. Mijn voorstel is dan ook om aan de inwoners van wijken en dorpen landbouwgebied toe te wijzen, dat ze zelf kunnen bewerken. Deze landen noem ik ‘wijklanden’. Hoewel je zo’n wijkland kan opdelen per inwoner, krijg je dan wel grote versnippering en dus kleine doelmatigheid. In mijn voorstel worden de wijklanden gezamenlijk bewerkt en vormen ze dus meentelijk gebied ten behoeve van een wijk. Een wijkland is niet een paar volkstuintjes maar moet dus echt een wijk kunnen voeden! De gezamenlijke bewerking is ook bevorderlijk voor de samenhorigheid van de wijkbewoners.

 

De wijklanden en binnenwijkse economieen

Het wijkland in ruime zin (wijk plus bijbehorende landerijen) kent dus een inwendige economische kringloop ten aanzien voedselvoorziening (en mogelijk andere sectoren); een deel van de mensen kunnen hun werktijd insteken in landbewerking en de wijk kan voedsel terugkrijgen hiervoor (binnenwijkse economie). Een ander deel van de mensen insteekt zijn tijd in de buitenwijkse economie en krijgt daarvoor geld terug. Het is de bedoeling dat de buitenwijkse geldopbrengsten worden gedeeld met alle wijkelingen en dat tevens de binnenwijkse voedselopbrengst onderling wordt verdeeld. Een deel van het geld wordt gereserveerd voor wijkse investeringen.

 

De wijk kan zelf beslissen welke sectoren het binnenwijks wil produceren en welke ze van de buitenwijkse economie willen betrekken. Men kan bijvoorbeeld ook bomen planten en kappen ten behoeve van eigen woningbouw. Hoe meer sectoren je binnenwijks weet te verwerklijken, hoe kleiner de belasting van het milieu is, en hoe duurzamer je dus bezig bent, vanwege de kleine en natuurlijke kringlopen. Ook zal dit waarschijnlijk een grotere arbeidsvreugde opleveren en bijvoorbeeld minder woon-werkverkeer. Toch zijn er natuurlijk nog sectoren over die alleen buitenwijks kunnen worden voortgebracht, zoals bijv. computers. Het gaat dan met name om produkten die een bepaalde schaalgrootte vergen om te kunnen voortbrengen. Algemenerwijs kunnen hoog-technische apparaten alleen buitenwijks worden geproduceerd; maar men kan deze dan wel mogelijk weer gebruiken om binnenwijks produkten te maken. Men zou bijv. een weefmachine kunnen kopen om binnenwijks kleding te produceren. Ook op het gebied van huizenbouw kan er natuurlijk veel binnenwijks gebeuren, al moeten de grondstoffen vaak in de buiteneconomie worden aangekocht. Wat de beste menging is van binnenwijkse en buitenwijkse activiteiten is onderwerp voor nader onderzoek.

 

De buitenwijkse economie democratisch aansturen

De buitenwijkse economie met grootschalige bedrijven kan ook op democratische wijze worden aangestuurd. Volksheerschappelijke organen kunnen een bevoegd sturingsgezag aanstellen om de markten te organiseren en bedrijven aan te sturen. Het schaallijk nivo van het gezag moet overeenstemmen met de schaal van het bedrijf. Op plaatselijk, streeks, landelijk of bovenlandelijk nivo kunnen de gezagen markten organiseren en de bedrijven aansturen.

 

Het sturingsgezag organiseert de markt in de zin van het aantal bedrijven dat (minstens en meestens) werkzaam moet zijn van een bepaald bedrijfstak in een bepaald gebied, afhankelijke van de behoefte. Op die manier kunnen juist-geschaalde en omgevingsvriendelijke markten worden geschapen, en kunnen omgevingsschadelijke bedrijven buiten de deur worden gehouden. Maar daarvoor zijn wel extra maatregelen nodig.

 

Een voorbeeld is bijvoorbeeld dat op streeknivo tussen de 4 en 6 bouwbedrijven worden toegestaan. Hoe kan nou worden voorkomen dat een grootschalig bedrijf buiten de streek gaat concurreren in dit gebied? Dat kan gebeuren door de streekse bedrijven een kleinschaligheids-subsidie te bieden. Dan kunnen ze meedingen met de schaalvoordelen die grotere bedrijven hebben (maar die doorgaans ook grotere milieu-schade en sociale nadelen meebrengen). Bovendien kan men streekse consumenten overhalen in eigen gebied kopen door te werken met identificatie en gebiedskortingen en gebiedsheffingen. Op die wijze kunnen te grote bedrijven effectief buiten de deur worden gehouden.

 

Dan blijft er nog een vraag over: waarom zouden de ondersteunde streekbedrijven de subsidie niet gewoon in eigen zak steken en hoge prijzen blijven berekenen? En hoe kan men vooroverleg en prijs-afspraken van bedrijven voorkomen? Om dat te voorkomen wil ik per bedrijfstak 1 overheidsbedrijf toevoegen, dat een prijsregelende werking moet hebben. Omdat dit bedrijf onder rechtstreekse volkheersschappelijke controle staat kan het de eigen prijzen zodanig zetten dat een redelijke maar niet overmatige winstmarge wordt behaald. Commerciele concurrenten moeten dan meegaan in deze prijzen en kunnen dan niet meer onderlinge prijsafspraken maken en overmatige winstmarges voeren.

 

Een extra voordeel is dat dit overheidsbedrijf nuttige informatie kan geven aan de commerciele bedrijven uit de branche om hun proces te optimaliseren. Het beginsel ‘ontoe-eigenbaarheid van informatie’ moet worden gehanteerd, waardoor intelligente bedrijfsprocessen en produkten stelselmatig kunnen worden verspreid, ipv dat zijn worden verborgen en afgeschermd.

 

Ten slotte mogen de democratische sturingsorganen rechtstreeks ingrijpen in commerciele bedrijven, indien zij dit nodig achten, bijvoorbeeld omdat het milieu teveel wordt belast of omdat er sociale misstanden zijn vastgesteld. Zij kunnen dan tijdelijke een bewindvoerder aanstellen naar analogie van bestaande bewindvoerders bij een faillismentsafhandeling, om het bedrijf weer in goede banen te leiden.

 

Bovenstaand voorbeeld geldt voor streeknivo, maar de aanpak is ook toepasbaar op andere schaalnivo’s, plaatselijk, landelijk en bovenlandelijk. Uiteraard moeten daarvoor wetten en verdragen worden aangepast. Zo moet bijvoorbeeld het vrije-markt-dictaat, zoals dat nu geldt, worden afgeschaft om te voorkomen dat grootschalige bedrijven agressieverwijs plaatselijke economien kunen ondermijnen.

 

Maar er blijft nog steeds plaats en noodzaak voor grootschalige bedrijven. Maar deze moeten dus wel aan de democratische leiband lopen. Een interessante gevalsstudie kan ook zijn bijvoorbeeld Microsoft. Dit commerciele bedrijf werkt op wereldschaal en is een bijna-monopolist. Als mijn voorgestelde aanpak zou worden toegepast, dan zou er dus op wereldschaal -dus door de VN-  sturing van het bedrijf moeten plaatsvinden. De VN-sturing zou bijvoorbeeld moeten voorkomen dat Microsoft andere bedrijven afstraft die andere besturingssystemen voorgeinstalleerd aanbieden. Voorts zouden aggresieve bedrijfsstrategieen van marktelijke veroverering en uitschakeling van concurrenten moeten worden verboden. Een tijdelijke ingreep van een bewindvoerder zou het bedrijf weer omgevingsvriendelijker moeten maken.

 

Bovendien zou op de markt voor besturingssystemen minstens 1 overheidsbedrijf werkzaam moeten zijn. Het bedrijf, aangestuurd door de VN, moet een alternatief besturingssysteem zou aanbieden voor een prijs met een redelijke doch niet overmatige winstmarge. Daarvoor zou bijvoorbeeld Linux kunnen worden gehanteerd. Op die wijze kan een overmatige beprijzing door een bijna-alleenverkoper in toom worden gehouden.

 

Redelijke bandbreedtes voor inkomen en eigendom

Tenslotte moeten er redelijke bandbreedtes worden bepaald voor inkomen en eigendom. Indien een burger geen overmatig eigendom heeft dan kan hij een inkomen krijgen dat ligt in de gedefinieerde bandbreedte. Als de burger vervolgens het maximale eigendom bereikt dan heeft het geen zin meer om commerciele arbeid te verrichten ten behoeve van verder bezitsophoping, maar hij of zij kan natuurlijk nog steeds nuttig maatschappelijk werk verrichten! Burgers met over-bezit zullen dit moeten afbouwen tot het maximale bezit, gedurende een redelijke periode. Het voordeel is dat rijke mensen niet meer alleen gefixeerd zijn op verdere bezitsophoping, maar automatisch meer gericht zullen worden op dienstverlening aan de maatschappij.

 

Omgekeerd hoeven mensen ook niet meer bang te zijn dat ze aan de bedelstaf komen; er zijn ook minimale inkomens gewaarborgd, waardoor mensen keuzevrijheid hebben om te kiezen voor een menswaardige invulling van hun bestaan. Immers zij hoeven dan niet te werken voor een uitbuitend bedrijf.