Heerst het volk (wij dus) wel
genoeg? (1 van 2)
Eerste van twee artikelen
over democratie;
Een onderzoek naar de invloed
van eigendom op democratie,
alsmede enige richtingen om
anders om te gaan met eigendom
Dit artikel gaat over democratie in relatie tot eigendom en economie. Deze begrippen worden bekeken en hun onderlinge invloed wordt onderzocht. In een ander artikel zal ik meer ingaan op alternatieve mogelijkheden om volksheerschappij in te richten, maar hier gaat het even om de relatie met andere begrippen af te bakenen.
We leven in een democratie hetgeen betekent 'volksheerschappij'. Dat wil zeggen dat je zou verwachten dat het volk heerst. Het woord volk heeft voor sommigen een bijsmaakje maar ik bedoel gewoon 'mensen'. In het Engels wordt zowel mensen als volk vertaald met 'people'. U en ik dus, even afgezien van eventuele nationalistische of communistische bijgedachten.
Nou wil ik gaan onderzoeken of dit ook echt zo is. Dan moet men zich eerst dus afvragen wat het betekent dat het volk heerst.
Om met dat laatste te beginnen; ik denk dat het betekent dat de mensen zeggenschap (lees: macht) hebben over hun leefwijze en hun leefgebied. Maar ik denk dat dit in de praktijk vaak anders uitpakt. Er zijn namelijk concurrerende of meedingende beginselen, die strijdig kunnen zijn met het beginsel van volksheerschappij.
Een van die beginselen is (onbeperkt) eigendom. Een gedachtenexperiment kan dit toelichten.
We stellen ons voor een vroegere boerengemeenschap die leeft in een eigen gebied; iedereen is boer met een klein stukje land en kan zich zelf bedruipen, met wat kleine ruilhandel. Op een dag komt er een krijgsheer langs, hij bezet het gebied en verklaart het tot zijn eigendom. Maar, in zijn gulheid biedt hij de mensen de mogelijkheid om voor hem te gaan werken. De mensen gaan lange uren werken voor de krijgsheer, ze ontvangen een snipper van hun vroegere inkomsten en de rest houdt de krijgsheer zelf. Echter, het volk begint te morren en de krijgsheer moet wat PR op hen lostlaten om hen rustig te houden. Dit doet hij met de beginselen 'eigendom' en 'markteconomie'! Hij herhaalt de mantra: "het is mijn land!" en jullie mogen uit vrije wil voor mij gaan werken, of jullie mogen naar mijn buurman-krijgsheer gaan. Ze hebben natuurlijk weinig keus en na een generatie geloven de boerlijke nakomelingen de kleinzoon van de krijgsheer op zijn woord, als hij zegt: 'het is mijn land'! Deze latere krijgsheer (hij is ondertussen 'landheer' geworden) zal erop wijzen dat hij hard heeft moeten werken om het land te verkrijgen, en 'als jullie hard werken dan kun je misschien ooit een stukje land voor je zelf kopen!!!' ...jippie....Op die manier wordt de landroof toegedekt en wordt een 'harde-werkers-mentaliteit' verheerlijkt, zodat het lijkt alsof de toestand het toedoen is van de loonslaven zelf (hadden ze maar harder moeten werken). Als bijkomend voordeel van deze landheerlijke propaganda worden daarmee ook de inkomsten van de landheer verhoogt.
Een conclusie is dat het eigendomsbeginsel strijdig kan zijn met volksheerschappij, althans als het eigendom onbeperkt is. Want als je loonslaaf bent van een krijgsheer en je moet lange uren moet werken om je magere loon te ontvangen, dan heb je sowieso weinig tijd om zeggenschap te hebben. En sowieso: waarover heb je zeggenschap als het land al is geclaimd door de krijgsheer?
Dus: een democratie onder de randvoorwaarde van een ongelijke verdeling van eigendom is een symbool-democratie om het volk rustig te houden. En omgekeerd: een volksheerschappij kan alleen werken als de mensen ook werkelijk zeggenschap hebben over de hulpbronnen in hun eigen gebied; anders hebben ze weinig in de melk te brokkelen.
Natuurlijk is het bovenstaande een uiterste voorstelling van zaken; we leven niet in een landbouwstaat onder een krijgsheer. En de zwakke moraal van de krijgsheer lijkt ook niet meer aanwezig. En tenslotte is eigendom in Nederland ook betrekkelijk, je mag niet zomaar alles met je eigendom. Een en ander neemt niet weg dat er wel parallellen zijn te trekken in machtsuitoefening en grootbezit. Zo zijn er tegenwoordig genoeg zeer machtige instellingen en bedrijven die weinig zeggenschap overlaten aan plaatselijke bewoners.
Een voorbeeld zijn bovenlandelijke bedrijven (multinationals). Door hun enorme bezittelijke macht kunnen zij de plaatselijke zeggenschap ondermijnen. Ook bijvoorbeeld grootschalige landbouwbedrijven vertonen vaak dergelijk eigenzinnig gedrag. Hun machtsuitoefening wordt gerechtvaardigd met de geloofsbeginselen 'eigendom' (de onbeperkte variant) en 'markteconomie'. Zij zullen hun macht uiteraard proberen te handhaven door die beginselen te ondersteunen en te verheerlijken, omdat die de pijlers van hun macht zijn. Het is begrijpelijk dat naarmate iemand meer bezit, deze een meer fanatieke eigendom-aanhanger is. (begrijpelijk maar niet verstandig).
In Nederland wordt hierbij vaak de term liberalisme gebruikt, oa verwijzend naar de vrijheid voor mensen om activiteiten te ontplooien. Dat is op zich natuurlijk een goede zaak. En naarmate een bedrijf meer hulpbronnen bezit, heeft het meer vrijheid om activiteiten uit te oefenen. Maar het omgekeerde geldt ook; als je geen cent te makke hebt, dan kun je ook moeilijk een zelfstandige economische activiteit ontplooien. Je bent dan vaak gedwongen om in loondienst te werken; geen vrijheid maar gebondenheid dus.
De toetredingsmogelijkheden tot de markt waren vroeger nog wel groter; je kon met een geringe investering een bedrijf beginnen en je handhaven. Maar tegenwoordig zijn bedrijven zodanig opgeschaald dat je er steeds moeilijker tussenkomt. Sterker nog, kleine bedrijven kukelen in hoog tempo om of worden opgeslorpt door het grootbedrijf, simpelweg omdat ze de schaalgrootte missen om doelmatig te kunnen concurreren. Dus van die ondernemerlijke vrijheid is weinig over als je geen grootbezitter bent.
Al met al kunnen we zeggen dat het is misgegaan toen eigendom is verworden tot heiligdom. Op dat moment is de volksheerschappij steeds meer overgegaan tot bezitsheerschappij.
De vraag is dan ook: hoe komen we weer op het rechte pad? Of vormelijker:
hoe kunnen we onze beginselen her-ijken om te komen tot een meer rechtvaardige en harmonische samenleving?
Ten eerste door te erkennen dat overmatig eigendom op gespannen voet staat met volksheerschappij; immers, eigendom betekent alleen-zeggenschap over een goed terwijl volksheerschappij juist gaat om gedeelde zeggenschap over een goed of situatie. Dus als we democratie willen dan moeten we deze gedeelde zeggenschap verkiezen boven de alleenzeggenschap van de onbeperkte eigendom. Dat hoeft niet te betekenen dat de rijken onmiddelijk moeten worden verjaagd uit hun villa's. Maar wel dat grenzen moeten komen aan eigendom. We zullen moeten komen tot een scheidslijn tussen 'aanvaardbaar bezit' en 'overmatig bezit' oftwel over-bezit. De over-bezitters zullen hun bezit moeten afbouwen tot ze weer op 'aanvaardbaar bezit' uitkomen. Dat is geen leuke boodschap voor de over-bezitters maar het hoeft ook geen drama te zijn; aanvaardbaar bezit betekent niet dat je bent veroordeeld tot de bedelstaf!
Ten tweede moeten we het beginsel van de meent herstellen en versterken, deze worden soms ook wel collectieve goederen genoemd. De meent staat voor het deel van de hulpbronnen die niet zijn vereigend oftewel die nog gemeenschappelijk zijn, zoals bijvoorbeeld het strand (in sommige commercie-gerichte landen zijn deze ook toegeeigend). Men kan uitgaan van de volgende vergelijking: de wereld is gelijk aan de som van alle eigendommen plus de meent. De meent is dus dat deel van de wereld wat niet in persoonlijk eigendom is. Dat idee wordt natuurlijk niet onderschreven door eigendom-aanhangers. De geharde eigendom-aanhanger zal geen enkel goed erkennen als ontoeeigenbaar, zelfs strand en bos zullen zij willen toeeigenen (misschien niet de lucht ;-) ). Maar het begrip meent is wezenlijk om gedeelde zeggenschap mogelijk te maken. Immers, eigendom gaat uit van alleenzeggenschap. Als alles eigendom zou zijn zou je dus nergens gedeelde zeggenschap hebben.
De verhouding tussen eigendom en meent is open voor debat. In het voornoemde gedachtenexperiment hebben de boeren aanvankelijk een eigen lapje grond voldoende voor eigen voedsel. Men kan ook uitgaan van een groot stuk meentelijke landbouwgrond die gezamenlijk wordt bewerkt. Maar grote lappen landbouwgrond in eigen bezit passen dus niet in mijn kijk.
Ten derde moeten plaatselijke bewoners zeggenschap hebben over hun leefgebied. Dat betekent dat ze dus niet onderhevig zijn aan opgelegde normen over bijvoorbeeld de vrije markt. Zij hoeven -als zij dat zo willen- hun markt niet open te stellen voor het buitengebied (of zij kunnen het gedeeltelijk openstellen). Openstelling voor het buitengebied kan namelijk tot gevolg hebben dat de plaatselijke markt en economie wordt vernietigd door produkten uit het buitengebied (die bijvoorbeeld veel grootschaliger maar ook mens- en milieu-schadelijker produceren). Tot op heden hebben de groot-bezitters hun vrijmarkt-systeem succesvol verspreid en opgedrongen aan plaatselijken, waardoor plaatselijke markten vaak zijn vernietigd en vervangen door grootschalige economien van deze groot-bezitters. Deze grote economien zijn echter vaak vernietigzaam voor milieu en de leefwijze en levensonderhoud van de plaatselijken.
Daarom moeten democratische instellingen greep krijgen op markten. Mijn betoog is niet om terug te gaan naar een boerensamenleving maar grootschalige bedrijven zijn dusdanig invloedrijk dat die onder krachtige sturing moeten staan van democratische instellingen. Volksheerschappelijke organen kunnen een bevoegd sturingsgezag aanstellen om de markten te organiseren en bedrijven aan te sturen. Het schaallijk nivo van het gezag moet overeenstemmen met de schaal van het bedrijf. Op plaatselijk, gewestelijk, landelijk of bovenlandelijk nivo kunnen de gezagen markten organiseren en de bedrijven aansturen. De sturing kan op verschillende manieren gebeuren. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld dat de markt kan worden georganiseerd in de zin van het aantal bedrijven dat werkzaam mag zijn van een bepaald type in een bepaald gebied. Op die manier kunnen juist-geschaalde en omgevingsvriendelijke markten worden geschapen, en kunnen omgevingsschadelijke bedrijven buiten de deur worden gehouden. Tevens mag diepgaand worden ingegrepen in het functioneren van bedrijven. Voorts kan men zorgen dat mensen vooral in eigen gebied kopen door te werken met identificatie en gebiedskortingen en gebiedsheffingen. Maximering van eigendom en inkomen kan buitennissige toe-eigening en overheersing van bedrijven en personen voorkomen. Het is even een korte bloemlezing van mogelijkheden voor marktorganisatie en het voert te ver om daar allemaal in dit artikel op in te gaan. Maar het zijn benaderingen voor nader onderzoek.
De conclusie kan echter wel zijn dat we (het volk) te weinig heersen. En dat we in aanzienlijke mate zijn terecht gekomen in een bezitsheerschappij ipv een volksheerschappij. Er zijn ingrijpende maatregelen nodig zijn om dit te veranderen, waar nog veel over te onderzoeken en debatteren valt. Er zal ook een drastisch nieuwe houding moeten ontstaan ten opzichte van eigendom en zeggenschap, wil de genoemde democratie een nieuwe, frisse kans van slagen hebben.